‘Traditioneel gingen man en vrouw op het moment van sterven uit elkaar om ieder hun eigen weg te kiezen in het bos, en alleen, als naakte zielen, hun schepper te ontmoeten, ‘  schrijft Iyengar in ‘Yoga als levenskunst’. In deze tijden van angst voor een virus, is deze tekst een openbaring voor mij. Het biedt mij troost en vooral vertrouwen en moed om door te gaan. Hoe prachtig is het om in de natuur te sterven, op het moment dat je weet dat het einde nadert. Zelf heb ik een visioen dat ik de zee in zwem en niet meer omkeer. Iemand vertelde mij over de zachte dood door bevriezing in het hooggebergte. Dieren doen het ook, ze lopen bij je weg als ze weten dat ze gaan sterven. Ze zoeken een plek voor zich alleen, waar ze zich kunnen herenigen met het oneindige.

In onze beschaving is het ongewoon om op deze manier over de dood te schrijven en ik besef dat ik mensen kan kwetsen met deze Indiase visie op sterven. Als dat zo is, dan spijt het mij en moet u deze blog niet verder lezen. Toch plaats ik het verhaal van Iyengar, omdat het ons ook helpt om het leven te laten gaan, en los te laten. Ziekte en dood horen daarbij. Wellicht helpt enige uitleg vooraf. In de Indiase traditie en het geloof in reïncarnatie, is sterven slechts de overgang van dit leven naar een volgend leven en is dat wat sterft het tijdelijke en zal de ziel altijd en alles overleven. Het tijdelijke, dat ben jij als persoon, met jouw lijf, dat vergankelijk is en sterft. Het niet tijdelijke is jouw ziel, het onstoffelijke zelf in jou. Op aarde zorg je voor de ziel die je in dit leven hebt gekregen, tot het moment dat je de ziel weer laat gaan, naar boven, naar het universum, naar god. Willen vasthouden aan een lichaam of persoon is onmogelijk en dit is de grote verwarring waar de mens in verkeert. Een yogi treedt de dood tegemoet als een dienaar zegt Iyengar. Lees hier het hele citaat.

‘ Het laatste stadium van het leven is dat van de ultieme onthechting. Er ontstaat vrijheid, zuiverheid en gereedheid om te sterven. Traditioneel gingen man en vrouw soms uit elkaar om ieder hun eigen weg door het bos te kiezen en alleen, als naakte zielen, hun schepper te ontmoeten. Zo gaat dit nu niet meer. Er zijn niet genoeg bossen meer, en bovenden heeft de medische wetenschap ons ervan overtuigd dat we de dood voor altijd om de tuin kunnen leiden, hoe zwak onze conditie ook is. Een yogi treedt de dood tegemoet als een dienaar, een strijder, een heilige. Hij stapt zonder angst op de dood af, als een soldaat die zich zou schamen zich zo aan het leven vast te klampen. Hij heeft elke cel van zijn lichaam tot leven gewekt. Misschien zijn we niet bang om te sterven, maar zijn we bang dat we niet hebben geleefd.’